De weesjongen

Er is een merkwaardige planeet, die bij het ochtendgloren in het oosten staat. 's Avonds is ze er weer, maar dan in het westen. De blanken noemen deze planeet Venus, maar voor ons is het Kileken, de weesjongen. Dit is zijn verhaal.

Er was eens een oude man die de hemel door en door kende, want hij hield ervan om naar de sterren te turen. Op een nacht was er een ster verdwenen. De oude staarde uren naar de lucht, zo geconcentreerd dat hij de naderende voetstappen niet hoorde. Opeens stond er een jongen naast hem, bijna nog een kind. "Wie ben je?" vroeg de oude. "Waar kom je vandaan?" - "Mijn naam is Kileken. Ik ben een wees die zo ver is weggelopen dat niemand mijn passen kan tellen." De man sprak: "Ik ben oud en heb kind noch kraai. Ik snak naar een beetje gezelschap. Je kan bij me blijven zolang je maar wil." Op slag was hij de verdwenen ster vergeten.

Toen hij 's morgens wakker werd kon hij zijn ogen niet geloven. Voor hem stond een kom dampende thee met veel melk, en het huis was schoongemaakt. Kileken was weg om het vee te hoeden. De oude begreep niet hoe iemand al dat werk zo vroeg ongemerkt had kunnen doen. Die kleine had zelfs de koeien al gemolken!

Tegen zonsondergang kwam de jongen terug, en de twee brachten de avond samen door onder de sterrenhemel. Voor ze gingen slapen zei de jongen nog: "We hebben haast geen water meer. Ik zal het morgen halen voor de muilezels." - "Goed," antwoordde de oude, "dan ga ik het vee wel hoeden." - "Laat maar, ik doe het wel allebei," bood het weesje aan. "Maar Kileken, dat kan toch niet?" - "Ik ben jong en sterk. Zolang ik bij jou ben, doe ik het werk." De oude drong niet aan. Toen hij 's morgens wakker werd, waren alle klusjes al gedaan. De jongen was het vee gaan hoeden.

De regen viel in bakken uit de hemel. Het land werd groen. De oude man kreeg lichtjes in zijn ogen en zijn tred werd weer veerkrachtig. Ondertussen bleef de jongen voor hem werken. Het was niet meer normaal, hij deed veel meer dan je van een mensenkind kon verwachten. Maar de oude man durfde niets te vragen. Hij was Kileken gaan beschouwen als een zoon.

De regens hielden op en het land werd blootgesteld aan de klauwen van de zon. Er kwamen diepe sporen in de aarde. In de lucht cirkelden gieren boven de kudde, wachtend op het ogenblik dat één van de beesten zou sterven. Het leek bijna of ze grijnsden. De oude man maakte zich zorgen: "Als het niet gauw begint te regenen gaan we er allemaal aan." - "Reken maar van niet," stelde Kileken hem gerust, terwijl hij naar de horizon tuurde.

Een paar dagen later zag het vee er beter uit dan ooit. De oude man kon zijn ogen niet geloven. "Kileken," bulderde hij, "de zon heeft het laatste sprietje gras verschroeid, en ik kan me bijna niet herinneren hoe regen eruit ziet, maarals ji j mijn kudde meeneemt komen mijn koeien voldaan en volgevreten thuis als ouwe wijven na een feest. Hoe kan dat toch?" De jongen antwoordde: "Het heeft te maken met iets wat mijn vader mij geleerd heeft. Hij wist dingen over de aarde en de lucht die hem macht gaven over de droogte. Die kennis heeft hij aan mij doorgegeven. Ze werkt alleen als ik niets verklap. Ik kan je dus helaas niet wijzer maken."

De droogte bleef voortduren en het land lag vol met dode beesten. De kudde van de oude man floreerde echter als nooit tevoren. Er werden kalfjes geboren en er was melk in overvloed. Maar met de welvaart van de oude groeide ook zijn nieuwsgierigheid. Op een nacht lag hij te woelen in zijn bed. Hij wilde zo graag achter het geheim van het weesje komen, dat hij er niet van kon slapen! Een schim fluisterde hem in: "Maak jij je druk over het geheim van zo'n snotjong? Jochies die weigeren de vragen van een wijze oude man te beantwoorden, dat is iets ongehoords." Het is waar, d acht de oude man, wat maakt het uit of ik zijn geheim ken of niet? Morgen ga ik Kileken stiekem achterna. Ik verlies hem geen seconde uit het oog!

Toen hij de volgende ochtend wakker werd, deed de oude alsof hij nog sliep. Hij hoorde hoe de jongen alle klusjes in en rond het huis opknapte. Daarna werd het stil. De oude man begreep dat zijn aangenomen zoon weg was met het vee. Hij kwam uit het bed om hem te bespieden. Midden in de dorre vlakte bleef de jongen staan. Hij was zich van geen onraad bewust, stak zijn armen in de lucht en murmelde iets dat de oude niet kon verstaan. Een sterke gloed scheen uit zijn lichaam te komen. Vanuit zijn schuilplaats keek de pleegvader verschrikt toe. Plotseling stond de kudde in hoog gras, met overal klaterende beekjes. Waar was de dorre vlakte gebleven? Nu konden de koeien zich te goed doen aan al dat groen tot hun uiers bijna barstten van de melk. De oude man kon een kreet van verbazing niet onderdrukken. Kileken draaide zich om en keek de oude recht in de ogen. Alle liefde en vertrouwen waren uit zijn blik verdwenen.

Terwijl de zon haar dagelijks gevecht leverde met de schemering, spatte de jongen uit elkaar en verscheen er een lichtje aan de hemel. De oude herstelde zich. In een ommezien waren al het groen en al het water verdwenen. Zijn kudde stond weer op gebarsten aarde die zo wreed was toegetakeld door de mokerslagen van de onverbiddelijke zon.

Eenzamer dan ooit hoedde de oude man zijn kudde dagelijks op de dorre vlakte, wachtend op de regens die nu toch echt niet lang meer konden uitblijven. Er stond geen kom thee met melk meer klaar wanneer hij 's ochtends wakker werd. En 's avonds zag hij in het westen een eenzame ster die niet flikkerde als andere sterren. Bij het ochtendgloren was de ster er opnieuw, maar dan in het oosten. Dat was het lichtje dat aan de hemel verdwenen was in de nacht dat Kileken in het leven van de oude man kwam.

Die ster is de planeet Venus, zeggen de blanken. Voor ons is het Kileken, de weesjongen. Bij het ochtendgloren zien we zijn licht in het oosten, en 's avonds verschijnt hij in het westen. Hij staat heel vroeg op, en als hij klaar is met de klusjes rond het huis, gaat hij de kudde hoeden. 's Avonds komt hij terug, net op tijd om het vee te melken.

EINDE